Waarom goede voetbalteams pas in de laatste twintig minuten instorten
Afgelopen weekend zat ik weer op de tribune in Rotterdam. De openingswedstrijd van het nieuwe seizoen van Feyenoord. Zo'n eerste thuiswedstrijd heeft altijd iets: een vol stadion, nieuwe verwachtingen, het gevoel dat alles opnieuw begint.
Tijdens de wedstrijd viel me iets op wat je vaker ziet. Een ploeg kan zestig of zeventig minuten uitstekend spelen. De organisatie staat, spelers vinden elkaar makkelijk, er wordt op de goede momenten druk gezet.
En dan verandert er iets. De tegenstander krijgt meer ruimte. Een paar passes komen niet aan. Spelers gaan een paar meter verder naar achteren staan. Waar eerst gezamenlijk werd opgejaagd, begint iedereen op zichzelf te reageren. Binnen tien minuten staat er soms een ander elftal op het veld.
Op de tribune valt dan al snel het woord conditie. Ze zijn moe.
Terwijl ik zat te kijken vroeg ik me af of dat de hele verklaring is. De tegenstander heeft tenslotte ook zeventig minuten gevoetbald.
Vermoeidheid zit ook tussen de oren
Fysiek speelt natuurlijk mee. Sprinten wordt zwaarder, herstellen duurt langer, dezelfde intensiteit lukt minder vaak.
Moe worden doet ook iets anders. Informatie verwerken, vooruitkijken en afwegingen maken kost meer moeite, en dan vallen mensen terug op wat automatisch gaat. Een verdediger stapt net iets later door. Een middenvelder speelt de veilige bal terug in plaats van vooruit. Een aanvaller besluit het zelf te forceren.
Elke beslissing op zich stelt weinig voor. Bij elkaar opgeteld ontstaat er een ander patroon, en daar begint de terugval.
Onder druk wordt samenwerken individueler
Een goed elftal draait op spelers die voortdurend rekening houden met elkaar. Stapt er één uit, dan geeft een ander rugdekking. Komt een back op, dan neemt iemand die ruimte over. Zet de tegenstander druk, dan moeten meerdere spelers tegelijk zien waar het gat valt.
Samenwerken betekent dus dat je aanvoelt wat anderen gaan doen.
Onder druk gebeurt er iets vreemds. Ieders aandacht kruipt naar de eigen taak. De verdediger denkt: mijn man mag er niet langs. De middenvelder: ik mag de bal niet verliezen. De aanvaller: ik moet nu dat doelpunt maken.
Iedereen probeert zijn eigen verantwoordelijkheid beter uit te voeren, en het geheel gaat er slechter door draaien. Op kantoor gaat het net zo. Loopt de druk op, dan werken mensen harder binnen hun eigen stuk, terwijl er meer afstemming nodig is dan ooit.
Vertrouwen bepaalt hoeveel risico er wordt genomen
Zolang het vertrouwen er is, spelen spelers makkelijker vooruit. Ze durven iemand tussen de linies aan te spelen en schuiven met z'n allen door, omdat ze erop rekenen dat een ander hun positie overneemt.
Dat vertrouwen kan binnen een paar minuten weg zijn. Eén tegendoelpunt is soms genoeg. Dan ontstaat de twijfel. Zetten we nog druk of zakken we terug? Verdedigen we de voorsprong of blijven we aanvallen?
Zolang daar geen gezamenlijk antwoord op is, gaat iedereen zelf kiezen. De een loopt naar voren terwijl de ander achteruit loopt. De ene verdediger stapt door terwijl zijn buurman blijft staan.
Ze doen allemaal nog steeds hun best. Ze spelen alleen niet meer hetzelfde spel.
Aanvoerderschap is iets anders dan goed voetballen
Op die momenten heeft een ploeg iemand nodig die het ziet gebeuren, en dan vooral op het veld en niet vanaf de zijlijn.
Zulke spelers vertragen bewust het spel. Ze praten, ze wijzen, ze herinneren anderen aan de afspraken. Ze brengen rust op het moment dat de rest vooral reageert op wat er net gebeurde.
Dat vraagt overzicht. Waar de anderen steeds smaller gaan kijken, moet die ene juist breder blijven kijken. Wat gebeurt er met ons? Waar verliezen we het? Wie heeft hulp nodig? Wat moeten we nu anders doen?
Zo iemand lost het zelden alleen op. Hij organiseert het elftal opnieuw.
Wat er gebeurt na een tegendoelpunt
Het interessantste moment van een wedstrijd is wat er direct na een tegengoal gebeurt. Sommige ploegen lopen terug naar de middenstip en spelen vrijwel hetzelfde verder. Andere lijken alles kwijt.
Veerkracht is dus meer dan een eigenschap van losse spelers. Een team kan het samen opbouwen. Ploegen met vaste routines weten wat ze doen wanneer het tegenzit, omdat ze dat eerder hebben besproken. Er hoeft tijdens de wedstrijd nauwelijks over gepraat te worden, iedereen weet wat het volgende is.
Wie zulke afspraken mist, moet het probleem tijdens de crisis zelf oplossen. Dat is het moment waarop mensen daar het slechtst toe in staat zijn. Meer over hoe teams hun energie vasthouden staat op de pagina over teamenergie.
In organisaties duurt het maanden in plaats van twintig minuten
Zolang het goed gaat lijkt elk team prima samen te werken. De planning klopt, de werkdruk is te doen, mensen helpen elkaar en besluiten vallen zonder gedoe.
Verhoog de druk en het beeld kantelt. Er komt een termijn dichterbij, een belangrijke collega valt uit, een reorganisatie wordt aangekondigd, de resultaten vallen tegen.
Dan verschijnen dezelfde patronen als op het veld. Mensen gaan harder werken. Berichten worden korter. Afdelingen beschermen hun eigen belang. Besluiten worden minder afgestemd, er wordt minder snel om hulp gevraagd en leidinggevenden gaan meer controleren.
Zo ontstaat het tegenovergestelde van wat nodig is. Meer druk vraagt om betere samenwerking, en zonder aandacht voor het team levert meer druk juist minder samenwerking op.
De eerste zeventig minuten zeggen weinig
Samenwerken lukt iedereen zolang alles volgens plan verloopt. Wat een team werkelijk waard is, blijkt op het moment dat het plan niet meer werkt. Wanneer mensen moe zijn, wanneer er fouten worden gemaakt, wanneer niemand meer precies weet waar het heen gaat.
De vraag is dus zelden hoe goed een team presteert wanneer het meezit. Interessanter is wat er met ons gebeurt wanneer het tegenzit. Blijven we praten? Blijven we elkaar vertrouwen? Durven we hulp te vragen? Blijven we samen kiezen? Of verandert een team van elf spelers langzaam in elf individuen? Daarvoor is psychologische veiligheid een voorwaarde, ook op een voetbalveld.
Train ook de situatie waarin het misgaat
Ploegen trainen patronen, tactiek en conditie. De beste trainen ook wat er gebeurt zodra iets misloopt. Wat doen we na balverlies? Wat doen we na een tegendoelpunt? Wie organiseert ons wanneer de tegenstander opjaagt? Wanneer nemen we risico en wanneer brengen we rust?
Op het werk gebeurt dat zelden. We bespreken hoe de samenwerking eruitziet wanneer het goed gaat, en veel minder vaak wat er met ons gebeurt zodra de druk stijgt. Dat tweede gesprek levert meestal meer op, zeker wanneer er ook wordt afgesproken wie dan wat oppakt. Daarover gaat de pagina over eigenaarschap in teams.
De belangrijkste vraag voor een team gaat daarom over meer dan hoe we samenwerken wanneer alles loopt. Wie worden wij wanneer de laatste twintig minuten beginnen?