Hoe ziet de gezondheidszorg er over tien jaar uit?
Tien jaar geleden was videobellen met een arts uitzonderlijk. Beeldanalyse door software klonk futuristisch en wie zijn eigen gezondheidsgegevens via zijn telefoon volgde, was een uitzondering. Inmiddels is dat dagelijks werk.
De vraag is dus niet óf de zorg de komende tien jaar verandert. De vraag gaat dieper: hoe organiseer je zorg wanneer de vraag blijft groeien, personeel schaarser wordt en techniek een steeds groter deel van het werk kan ondersteunen?
Techniek wordt daarbij waarschijnlijk niet het moeilijkste onderdeel. Het moeilijkste wordt hoe we ermee samenwerken.
Meer zorg met verhoudingsgewijs minder mensen
Nederland vergrijst. Mensen leven langer en steeds vaker met meerdere chronische aandoeningen tegelijk. De hoeveelheid zorg neemt toe en de vraag wordt ook ingewikkelder.
Het aantal zorgprofessionals groeit niet in hetzelfde tempo mee. Arbeidsmarktprognoses voor zorg en welzijn komen voor 2035 uit op een tekort van enkele honderdduizenden mensen, ook wanneer het voorgenomen beleid effect heeft.
Eén ding is daarmee duidelijk. De zorg van straks kan geen grotere versie worden van de zorg van nu. Meer mensen aannemen, meer bedden openen en harder werken houdt op enig moment op. Het werk zal anders georganiseerd moeten worden.
Techniek wordt gewoon
Over tien jaar valt er waarschijnlijk niemand meer over op. Zoals we nu nauwelijks stilstaan bij een zoekmachine of een digitaal dossier, wordt ondersteunende techniek onderdeel van talloze werkprocessen: beeldanalyse, het voorspellen van complicaties, het voorbereiden van behandelkeuzes, verslaglegging, planning en het terugbrengen van administratie.
Daarmee verandert het werk van professionals. Zelden doordat artsen of verpleegkundigen overbodig worden, en wel doordat een deel van hun huidige taken anders wordt uitgevoerd.
Dat roept een vraag op. Kan techniek steeds meer analyseren, registreren en voorspellen, waar zit dan de waarde van de professional?
Waarschijnlijk in wat zich slecht laat automatiseren: betekenis geven, luisteren, afwegen, geruststellen, samenwerken en samen met een patiënt beslissen.
De patiënt wordt letterlijk het middelpunt
Zorg is van oudsher rond organisaties georganiseerd. De patiënt komt naar het ziekenhuis of de huisarts, want daar zijn de kennis, de apparatuur en de informatie.
Techniek maakt die plek minder vanzelfsprekend. Draagbare meters, thuismetingen, apps en sensoren verzamelen doorlopend gegevens over beweging, hartslag, bloeddruk of herstel.
Daarmee verandert het model. Van "kom over drie maanden terug, dan kijken we hoe het gaat" naar "we volgen hoe het met je gaat en nemen contact op zodra dat nodig is".
Dat klinkt als een klein verschil. Organisatorisch is het enorm.
Het ziekenhuis wordt een knooppunt
Een groeiend deel van de zorg kan thuis of dichter bij de patiënt plaatsvinden. Gespecialiseerde centra richten zich daardoor sterker op ingewikkelde diagnostiek en behandelingen die elders niet kunnen.
Het ziekenhuis is dan minder de plek waar alle zorg gebeurt en meer een knooppunt in een netwerk van huisartsen, thuiszorg, ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg, gemeenten, apotheken, mantelzorgers en technologiepartijen.
Daar zit de grootste organisatorische opgave. Een patiënt ervaart namelijk geen afdelingen, organisaties of geldstromen. Hij ervaart één zorgproces. Onze organisaties zijn daar zelden op ingericht.
Robots worden onopvallend
Robots worden zichtbaarder, en zelden als mensachtige machines die professionals vervangen. Vaker als praktische hulp: materialen vervoeren, medicatie bezorgen, ondersteunen bij revalidatie, fysieke belasting verlichten.
Dat klinkt onpersoonlijk, en het omgekeerde kan gebeuren. Is een verpleegkundige minder tijd kwijt aan logistiek en registratie, dan komt er tijd vrij voor de patiënt.
Techniek kan zorg menselijker maken zodra we bewust bepalen waarvoor we mensen willen blijven inzetten.
Behandeling wordt persoonlijker
Het idee van één standaardbehandeling voor een grote groep komt verder onder druk. Door erfelijke informatie, beeldvorming, leefstijlgegevens en behandeldata te combineren, kan een behandeling nauwkeuriger op iemand worden afgestemd.
De vraag welke behandeling gemiddeld het beste werkt, wordt dan aangevuld met een andere: welke behandeling werkt waarschijnlijk het beste voor deze patiënt, op dit moment, gegeven zijn kenmerken en voorkeuren?
Meer gegevens leveren alleen niet vanzelf betere zorg op. Iemand moet die informatie kunnen duiden, de onzekerheid erin kunnen bespreken en samen met de patiënt tot een keuze komen.
De moeilijkste vernieuwing is samenwerking
Bij vernieuwing in de zorg gaat het over techniek, gegevens en apparatuur. De moeilijkste vernieuwing ligt ergens anders: in samenwerking.
Iemand met meerdere aandoeningen heeft tegelijk te maken met een ziekenhuis, een huisarts, een fysiotherapeut, een apotheek, de gemeente, thuiszorg en mantelzorgers. Elke organisatie kan haar eigen processen voortreffelijk hebben geregeld terwijl de patiënt een versnipperd geheel ervaart.
Dat vraagt iets wat lastiger is dan techniek invoeren: verantwoordelijkheid nemen over de grenzen van je eigen organisatie heen. De vraag hoe wij onze afdeling verbeteren, krijgt er dan een tweede bij. Hoe zorgen we er samen voor dat deze patiënt de best mogelijke zorg krijgt? Meer over dat soort trajecten staat op de pagina over verandermanagement.
Wat dit van leidinggevenden vraagt
Een manager in de zorg van 2036 kan de inhoudelijke ontwikkelingen onmogelijk allemaal overzien. De techniek gaat te snel, professionals worden specialistischer en de samenwerking loopt steeds vaker buiten het eigen team.
Leidinggeven gaat daardoor minder over het beheersen van het werk en meer over het scheppen van omstandigheden waarin professionals goed kunnen werken. Richting geven, prioriteiten stellen, samenwerking organiseren, ruimte laten om iets te proberen en zorgen voor genoeg psychologische veiligheid om een fout te mogen maken.
En vooral: mensen helpen omgaan met verandering die nooit meer ophoudt. Wordt verandering de normale toestand, dan kun je niet elke verandering als apart project blijven behandelen. Leren hoort dan bij het dagelijkse werk.
Hoe technischer de zorg, hoe menselijker het werk
Daar zit de omkering. Software kan duizenden gegevens vergelijken. Iemand vertellen dat een behandeling niet meer aanslaat vraagt iets anders.
Een model kan een risico voorspellen. Samen bepalen hoeveel risico iemand wil aanvaarden vraagt een gesprek.
Techniek kan informatie samenvatten. Vertrouwen ontstaat tussen mensen.
Aandacht, inlevingsvermogen, nieuwsgierigheid en samenwerken worden daardoor schaarser, en daarmee waardevoller. Daarover gaat de pagina over teamcultuur.
De beste zorgorganisatie heeft niet de meeste techniek
Over tien jaar kijken we waarschijnlijk anders naar vernieuwing. De meest vooruitstrevende organisatie is dan niet het ziekenhuis met de meeste apparatuur of de grootste hoeveelheid gegevens.
Het is de organisatie die techniek, professionals en patiënten zo weet te ordenen dat ze elkaar versterken. Waar mensen durven leren. Waar informatie kan bewegen. Waar teams over grenzen heen werken. Waar techniek routinewerk overneemt zonder de professionele verantwoordelijkheid uit te hollen. En waar iemand ondanks alle schermen nog steeds het gevoel heeft dat er naar hem geluisterd wordt.
Tot slot
De zorg van 2036 wordt technischer en meer op gegevens gebaseerd dan vandaag. Techniek alleen lost de grote vraagstukken niet op.
We kunnen processen automatiseren, diagnoses ondersteunen en mensen op afstand volgen. Wat daarmee gebeurt, bepalen mensen en organisaties samen. Daar ligt de belangrijkste verandering van het komende decennium: opnieuw leren organiseren waar mensen werkelijk het verschil maken.
Als techniek morgen dertig procent van het routinewerk in jouw organisatie zou overnemen, wat zou je dan willen dat professionals met die tijd doen?